Technologische innovatie in de onroerenderfgoedzorg
Op maandag 19 september kwam een honderdtal experten in Brussel samen voor de ViA-rondetafel over technologische innovatie in de onroerenderfgoedzorg.
De deelnemers konden in drie werkgroepen van gedachten wisselen over verscheidene thema’s:
- Werkgroep 1 concludeerde dat een combinatie van geofysisch onderzoek en proefsleuven bij archeologisch onderzoek aangewezen is om het beste resultaat te bereiken zonder te veel in te grijpen in de bodem.
- Werkgroep 2 besloot dat digitale technologieën een grote meerwaarde kunnen hebben voor onroerend erfgoed, maar dat er samengewerkt moet worden om een aantal morele en technische grenzen te overwinnen.
- Werkgroep 3 kwam tot de conclusie dat monumenten wel een betere energieprestatienorm kunnen bereiken, maar dat maatwerk noodzakelijk is voor ieder individueel monument.
De rondetafel bood de gelegenheid aan experten uit de academische wereld, de privésector en de overheid om kennis uit te wisselen en ideeën te delen over innovatieve technieken die hun ingang vinden in de erfgoedzorg.
Werkgroep 1: Geofysisch onderzoek voor het detecteren van archeologisch erfgoed
De deelnemers van werkgroep 1 bogen zich over de inzet van geofysische onderzoeksmethoden voor het Vlaams archeologiebeheer. De nadruk lag op nieuwe onderzoeksmethoden om sites op te sporen en te evalueren in functie van ‘behoud in situ’ van het archeologisch erfgoed. Daarbij is het van belang dat deze methodes zo weinig mogelijk zelf ingrijpen in de bodem.
Aan de hand van drie pecha kucha’s (dynamische presentatiemethoden) werd een aantal innovatieve technieken voorgesteld; bodemsensoren (voorgesteld door Prof. Dr. Marc Van Meirvenne, UGent), weerstandsmeting en magnetometrie (voorgesteld door Prof. Dr. Dries Tys, VUB) en mariene geofysica (voorgesteld door Dr. Tine Missiaen, UGent).
Uit de debatten concludeerden de experten dat geofysisch onderzoek in Vlaanderen nog niet erg vaak wordt uitgevoerd. Nochtans zijn de mogelijkheden groot. Geofysisch onderzoek is namelijk ook inzetbaar in complexe gebieden, zoals stedelijke contexten en is doorgaans sneller en goedkoper dan de techniek van de proefsleuven. Een optimaal resultaat wordt echter bereikt, zo leek men eensgezind, door de combinatie van proefsleuven en geofysisch onderzoek. Het zijn complementaire technieken die elkaar aanvullen en bijsturen.
Om geofysisch onderzoek en archeologie beter op elkaar af te stemmen is de sector vragende partij voor experimenteel onderzoek en testsites. Voor de overheid is vooral een coördinerende rol weggelegd voor het opstellen van flexibele richtlijnen en het stimuleren van het gebruik van geofysische prospectiemethodes, terwijl de kenniscentra meer aandacht moeten besteden aan geofysische prospectietechnieken in de opleiding van archeologen en er fundamenteel onderzoek naar moet voeren. De bedrijfswereld kan praktijkervaring aanleveren. Ten slotte moeten archeologen, geofysici en technici dezelfde taal leren spreken zodat interessante technieken uit de industrie ook hun ingang vinden in de archeologie. Alle partijen kunnen profiteren van die kruisbestuiving, aldus de experts.
Werkgroep 2: Digitale technologieën in de erfgoedzorg in het kader van de registratie, conservatie en restauratie van onroerend erfgoed
Deelnemers van werkgroep 2 keken met digitale ogen naar het onroerend erfgoed. Ze wisselden ervaringen uit over het gebruik van digitale technologieën in de erfgoedzorg aan de hand van drie goede praktijken: de monitoring van werelderfgoed op de site van Cuenca (voorgesteld door Dr. Thérèse Steenberghen, KULeuven), het project Gent in 3D (voorgesteld door Mario Matthys) en de techniek van de 3D-scanning (voorgesteld door Prof. Luc Van Gool, KULeuven ESAT). Bestaande technieken en technologieën bieden een enorm potentieel voor de registratie, analyse, archivering en ontsluiting van informatie in het kader van de onroerenderfgoedzorg. De experten gingen op zoek naar de mogelijkheden, de hindernissen en de benodigdheden om deze piste verder te ontwikkelen.
De werkgroep formuleerde enkele rake conclusies. Zo zijn de experten van mening dat de mogelijkheden van digitale technieken voor de registratie van onroerend erfgoed vaak onvoldoende gekend zijn. Daarenboven evolueren de technieken razend snel. Allen waren het eens dat dit veel deuren opent en in grote mate kan bijdragen tot de conservatie van het patrimonium en de duurzame ontwikkeling van historisch gegroeide weefsels. De technieken blijken ook nuttig bij het inventariseren, analyseren en monitoren van het onroerend erfgoed. Maar volgens de experten stuit de ontwikkeling momenteel op een aantal morele en technische grenzen. Daarom is het belangrijk in de toekomst via een geïntegreerde samenwerking in te zetten op de uitwisseling en archivering van driedimensionale datasets. De overheid kan de aanmaak van gebiedsdekkende en gebruiksvriendelijke datasets faciliteren of zelfs initiëren.
Werkgroep 3: Onroerend erfgoed en de klimaatuitdaging
In werkgroep 3 stond één hamvraag centraal: hoe kunnen energieprestatienormen en de zorg voor bouwkundig erfgoed verzoend worden? Maatregelen in functie van verbeterde energieprestaties van gebouwen worden niet enkel door de overheden gestimuleerd, ze worden ook vaak opgelegd. Het feit dat bouwkundig erfgoed kan worden vrijgesteld van deze regels om de erfgoedwaarde te vrijwaren, betekent niet dat de onroerenderfgoedsector geen oor heeft naar verbeteringen op vlak van energiezuinigheid. Integendeel!
In werkgroep 3 gingen de experten daarom op zoek naar het functioneren van een monument in de toekomst. Hoe kan een klooster, een hoeve of een industrieel pand in 2050 zo energiezuinig mogelijk bestaan, zonder in te boeten op erfgoedwaarde? Het bleek een moeilijke oefening. De experten werden gevraagd de huidige context met de bestaande mogelijkheden en regelgeving achterwege te laten en out-of-the-box te denken.
Ondanks het abstract gegeven, kwam er toch een aantal concrete aanbevelingen uit de bus. De experten hamerden vooral op de eigenheid van elk monument. Maatwerk is dan ook essentieel. Voor elk gebouw dienen eerst de gebreken en de kansen voor wat betreft energiezuinigheid gedetecteerd te worden. De overheid zou op voorhand kunnen aangeven in welke mate een gebouw kan voldoen aan de energieprestatie-eisen. Al moet daar voorzichtig mee worden omgesprongen. Te veel regels opgelegd op voorhand, belemmeren immers de creativiteit. Tenslotte willen de experten ook benadrukken dat energiezuinige oplossingen uit meer bestaan dan enkel isolatie. Het volledige plaatje moet in kaart gebracht worden, inclusief de omgeving van een monument.
Vervolg
De werkgroepen zullen in een vervolgtraject verder bouwen op de resultaten van de rondetafel om de technologische innovatie in de onroerenderfgoedzorg werkbaar en zichtbaar te maken.




[...] het uitgebreide verslag op vlaandereninactie.be. Print [...]